Open navigatie

Mensen met een uitkering mogen vrijwilligerswerk doen. Daar zijn wel regels aan verbonden. In deze handleiding leest u wat de algemene regels zijn en staan we per uitkeringen stil bij de eigen regels van de uitkering die gelden voor het melden van het vrijwilligerswerk, de sollicitatieplicht en de vrijwilligersvergoeding.

7 tips

De algemene regels

Bij alle wetgeving rond vrijwilligerswerk met een uitkering moet het om echt vrijwilligerswerk gaan. Daarmee bedoelen we dat:

  • Het vrijwilligerswerk onbetaald is. Wel mag de vrijwilliger een vergoeding krijgen van daadwerkelijk gemaakte onkosten of gebruikmaken van de vrijwilligersvergoeding.
  • Het vrijwilligerswerk wordt gedaan bij organisaties die geen vennootschapsbelasting betalen of een sportvereniging, sportinrichting of ANBI zijn.
  • Het vrijwilligerswerk verdringt geen betaalde arbeid.

De regels per soort uitkering

Naast de algemene regels voor vrijwilligerswerk doen met een uitkering, gelden er per soort uitkering ook specifieke regels. Per tip komen een uitkering en de specifieke regels aan bod. Kort samengevat ziet het er zo uit:

Uitkeringsinstantie Uitkering Informatieplicht Sollicitatieplicht Tegenprestatie Vergoeding
Gemeente Bijstand
IOAW en IOAZ
ja ja ja Max 764 euro per jaar
Vanaf 1 april 2017
Max 1.500 euro per jaar
UWV Werkbedrijf WW ja ja nee Max 1.500 euro per jaar
WIA – WGA ja ja nee
WIA – IVA nee nee nee
WAO/WAZ nee nee nee
Wajong nieuw
(vanaf 2010)
ja ja nee
Wajong oud
(voor 2010)
ja nee nee
Wajong 2015
(na 2015)
ja nee nee

Over de sollicitatieplicht

De vrijstellingsregeling van sollicitatieplicht naast een WW- of WIA-WGA-uitkering voor vrijwilligerswerk is per 1 juli 2015 vervallen. Alleen bij calamiteiten, mantelzorg en bij de geboorte van een kind is nog vrijstelling van sollicitatieplicht mogelijk. Een uitkeringsgerechtigde moet altijd zoeken naar een betaalde baan. Daarom mag u ook maar maximaal 20 uur per week als vrijwilliger werken. Krijgt u een betaalde baan aangeboden? Dan moet u die accepteren. Ook als dat betekent dat u daardoor moet stoppen met uw vrijwilligerswerk. Als u dit niet doet, kan het gevolgen hebben voor uw uitkering.

Onze tips

Tip 1: Vanuit de Werkeloosheidswet

De Werkeloosheidswet (WW) is een verzekering voor werknemers die door werkloosheid niet of minder uren werken en daardoor geen inkomsten hebben. De hoogte en duur van de uitkering is afhankelijk van het arbeidsverleden. De WW-uitkering moet aangevraagd worden bij het UWV Werkbedrijf.

Vrijwilligerswerk naast een WW-uitkering is in principe toegestaan mits u beschikbaar blijft voor de arbeidsmarkt. Het is verplicht het vrijwilligerswerk te melden. De uitkeringsinstantie beoordeelt de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt. Als iemand minder beschikbaar is voor de arbeidsmarkt (door bijvoorbeeld vrijwilligerswerk) kan dat gevolgen hebben voor de hoogte van de uitkering. Iedereen met een WW-uitkering is in principe verplicht te solliciteren naar een betaalde baan.

Het vrijwilligerswerk mag geen betaald werk verdringen. Daarvan is sprake als voor de vrijwillige werkzaamheden normaal gesproken betaald wordt binnen de organisatie en er in het voorafgaande jaar een betaalde medewerker is ingezet.

Tip 2: Vanuit de Participatiewet

In de Participatiewet is de voormalige Wet werk en bijstand (WWB) opgenomen. De Participatiewet is bedoeld om zoveel mogelijk mensen met en zonder arbeidsbeperking werk te laten vinden. Het vrijwilligerswerk mag niet de kansen op betaald werk verkleinen. Uitkeringsgerechtigden zijn verplicht het aangeboden werk te accepteren en te behouden. Met vrijwilligerswerk moet worden gestopt als dat niet gecombineerd kan worden met de betaalde baan. De Participatiewet gaat daarbij uit van algemeen geaccepteerde arbeid in plaats van passende arbeid. Met geaccepteerde arbeid wordt bedoeld: legaal werk dat door iedereen als normaal wordt gezien. In de vrije tijd kan iemand natuurlijk wel vrijwilliger blijven.

Tip 3: Bijstandsuitkering

Vrijwilligerswerk naast een bijstandsuitkering mag, maar moet wel gemeld worden bij de uitkeringsinstantie. Mensen met een bijstandsuitkering boven de 27 jaar mogen voor het vrijwilligerswerk een onkostenvergoeding krijgen. Zij mogen een vrijwilligersvergoeding krijgen van 150 euro per maand tot een maximum van 1.500 euro per jaar. In plaats van de vrijwilligersvergoeding heeft de gemeente ook de mogelijkheid om een een- of tweemalige premie van ten hoogste 2.340 euro (2015) per kalenderjaar, voor zover het vrijwilligerswerk naar het oordeel van het college bijdraagt aan arbeidsinschakeling. Ook andere instanties mogen deze premie verstrekken, maar moeten dat eerst voorleggen aan het college van burgemeester en wethouders. Deze bepalen of de premie bijdraagt aan arbeidsinschakeling van uitkeringsgerechtigden. De premie heeft geen gevolgen voor de hoogte van de uitkering voor zover er geen vrijwilligersvergoeding wordt ontvangen. Als iemand naast de premie ook een vrijwilligersvergoeding krijgt, dan geldt de premie als inkomen waarover belasting moet worden betaald.

Voor vrijwilligers onder de 27 jaar met een bijstandsuitkering geldt dat iedere betaling anders dan een vergoeding van de daadwerkelijke kosten gekort wordt op de uitkering.

Tip 4: Tegenprestatie

In de Participatiewet moeten bijstandsgerechtigden een tegenprestatie leveren voor hun bijstandsuitkering. Een tegenprestatie is een onbetaalde maatschappelijk nuttige activiteit van beperkte duur en omvang. Gemeenten leggen in een eigen lokale verordening inhoud, omvang en duur van de tegenprestatie vast. De tegenprestatie heeft de volgende kenmerken:

  • Het werk is niet bedoeld als re-integratie-instrument en hoeft dus eraan bij te dragen om u weer aan het werk te krijgen.
  • Het mag de acceptatie van algemeen geaccepteerde arbeid of de re-integratie niet in de weg staan.
  • De duur en omvang moeten beperkt zijn.
  • Het moet gaan om aanvullende werkzaamheden en het mag niet leiden tot verdringing van betaalde arbeid.

Uitgezonderd van de tegenprestatie zijn:

  • Alleenstaande ouders met kinderen onder de 5 jaar.
  • Iedereen die volledig arbeidsongeschikt is voor lange tijd.
  • Mantelzorgers.
  • Vrijwilligers waarvan de gemeente heeft bepaald dat het vrijwilligerswerk als tegenprestatie kan gelden.

Tip 5: Gedeeltelijk of volledig arbeidsongeschikt

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) geldt voor iedereen die na 1 januari 2004 ziek is geworden en geen wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO) krijgt. De WIA is een werknemersverzekering voor arbeidsongeschiktheid die bestaat uit 2 regelingen: Werkhervatting Gedeeltelijke Arbeidsongeschikten (WGA) en de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA). Net als WAO’ers mogen WIA’ers vrijwilligerswerk doen en daarvoor de maximale vrijwilligersvergoeding ontvangen. Er is wel een verschil in meldingsplicht. WGA-ers moeten hun vrijwilligers en het aantal uren melden bij het UWV. IVA’ers hoeven dat niet.

Tip 6: Wajong

Voor jongeren onder de 18 jaar met een langdurige ziekte of handicap of voor mensen in opleiding tussen de 18 en 30 jaar die te maken krijgen met een langdurige ziekte of handicap en daardoor niet in staat zijn te werken (geen arbeidsvermogen) is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Jongeren die nog in staat zijn om gedeeltelijk te werken, al dan niet met begeleiding, vallen sinds 1 januari 2015 onder de Participatiewet. Daarnaast is besloten dat iedereen die tussen 2010 en 2015 een Wajong-uitkering heeft gekregen, opnieuw beoordeeld wordt door het UWV op arbeidsvermogen. Jongeren zonder arbeidsvermogen blijven in de Wajong. Iedereen die voor 2010 een Wajong-uitkering had, behoudt deze uitkering.

Voor alle Wajongers die na 2010 een Wajong-uitkering hebben ontvangen, geldt een informatieplicht voor het vrijwilligerswerk. Iedereen die voor 2010 een Wajong-uitkering had, behoudt deze uitkering en moet ook het vrijwilligerswerk melden.

Let op: mensen die niet langer een Wajong-uitkering ontvangen en onder de Participatiewet vallen, mogen maximaal 95 euro per maand en 764 euro per jaar aan vrijwilligersvergoeding ontvangen.

Tip 7: Wet inkomensvoorziening ouderen en gedeeltelijk arbeidsongeschikten

De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) is een inkomensvoorziening voor oudere werkloze werknemers. Werknemers die minstens 50 jaar oud waren toen zij werkloos werden, kunnen in aanmerking komen voor een IOAW-uitkering als hun WW-uitkering afloopt. De Wet inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte gewezen Zelfstandigen (IOAZ) is gericht op ouderen die gestopt zijn met hun werk als zelfstandige. IOAW’ers en IOAZ’ers vallen onder hetzelfde regime van de bijstandsuitkering. Dat betekent een lagere vrijwilligersvergoeding, sollicitatieplicht en mogelijk een tegenprestatie.

Wie kan helpen?

  • UWV: de afkorting staat voor Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen. Zij zorgen voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen, zoals de WW, WIA, WAO, WAZ, Wazo en Ziektewet. Ze voeren deze diensten uit als zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
  • Uw contactpersoon bij uw uitkeringsinstantie.